Algemene plaatselijke verordening, APV

Wat is de Algemene Plaatselijke Verordening, APV

De Algemene plaatselijke verordening, afgekort APV, is een verzameling van regels die door elke gemeente in Nederland afzonderlijk wordt opgesteld. 

De APV van Zuidplas bestaat uit diverse regels die gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente en heeft als doel Zuidplas netjes en leefbaar te houden. Er staat bijvoorbeeld in dat u hondenpoep moet opruimen en dat u voor een terras een vergunning nodig heeft. De APV kent dus voor veel onderwerpen allerlei regels.

De APV wordt ook wel omschreven als een soort “vangnet voor alle regels die niet ergens anders geregeld zijn”. De regels die opgenomen zijn in de APV, zijn vaak een aanvulling op landelijke regels, die vastgelegd zijn in wetgeving.

Overzicht uit de APV

Hieronder een selectie van onderwerpen uit de Algemene plaatselijke verordening Zuidplas. Voor de complete wettelijk vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening kijkt u op www.zoekdienst.overheid.nl.










 

Evenementenvergunning (artikel 2:25)

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
  2. In afwijking van artikel 1:3 kan de burgmeester besluiten om de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag minder dan 13 weken voor aanvang van het evenement wordt ingediend.
  3. De burgemeester stelt voor het indienen van een aanvraag voor een evenementenvergunning een aanvraagformulier vast.
  4. De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde en veiligheid, verkeersveiligheid, volksgezondheid en milieuhygiëne.
  5. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de aancrafer of vergunninghouder onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.
  6. De burgemeester kan aan de evenementenvergunning voorschriften verbinden, die onder meer betrekking kunnen hebben op:
    a. de plaats en het tijdstip van het evenement;
    b. de benodigde technische voorzieningen;
    c. de inrichting van het evenemententerrein;
    d. het activiteitenprogramma;
    e. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;
    f. een verkeersplan.
  7. De burgmeester kan plaatsen aanwijzen waar het aantal evenementen en de tijden waarop deze plaatsvinden, beperkt kan worden.
  8. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 en 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
  9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Klein evenement, melding (artikel 2:25a)

  1. Het verbod gesteld in artikel 2:25 lid 1 geldt niet voor een (klein) evenement, indien:
    a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen;
    b. het evenement tussen 09:00 uur en 23:00 uur plaats vindt;
    c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur en het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A);
    d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan of (brom)fietspad of anderszins een belemmering of gevaar vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
    e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object;
    f.  indien er een organisator is
    g. de organisator twee weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier;
    h. de organisator een ontvangstbevestiging van de melding kan tonen en de organisator gedurende het evenement aanwezig is.
  2. De burgemeester kan binnen zeven dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van het klein evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Exploitatievergunning openbare inrichting (artikel 2:28)

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
  2. De burgemeester stelt voor het indienen van een aanvraag van een vergunning een aanvraagformulier vast.
  3. De burgemeester weigert de vergunning indien:
    a. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, of
    b. de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven.
  4. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
  5. Bij de toepassing van de in liet derde lid, onder a, genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
  6. Geen vergunning is vereist voor:
    a. een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
    b. een openbare inrichting in een zorginstelling of museum;
    c. een openbare inrichting waarvan de exploitatie en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar overwegend kleinere spijzen voor directe consumptie worden bereid en verstrekt en uitsluitend niet-alcoholhoudende dranken worden geschonken, zoals een koffie- en theeschenkerij, lunchroom, konditorei of ijssalon;
    d. een openbare inrichting die zich bevindt in een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant;
    e. een Bed & Breakfast voor maximaal vier personen, die niet toegankelijk is voor anderen dan de Bed & Breakfast gasten.
  7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Sluitingstijd, ontheffing (artikel. 2:29)

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten van maandag tot en met vrijdag tussen 1.00 uur en 6.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 2.00 uur en 6.00 uur.
  2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
  3. De burgemeester kan:
    a. ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden.
    b. door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting en/of een daartoe behorend terras.
  4. In afwijking van het eerste lid gelden voor openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid, onder a en c, en daartoe behorende terrassen de sluitingstijden van de Verordening winkeltijden Zuidplas 2014.
  5. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Schenken alcoholhoudende drank in paracommerciele inrichting, ontheffing (2:34b)

  1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12.00 uur tot uiterlijk 00.30 uur tijdens een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon;
  2. Het is verboden voor een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van jeugdwerk en daarbij gelegenheid schept tot verantwoorde en vormende activiteiten die jongeren in contact kunnen brengen met cultuur, amusement en informatie, om sterke drank te schenken, zwak-alcoholhoudende drank kan uitsluitend verstrekt worden op:
    - woensdag en donderdag van 18.00 uur tot uiterlijk 0.30 uur;
    - vrijdag en zaterdag van 12.00 uur tot uiterlijk 1.30 uur;
    - zondag van 13.00 uur tot uiterlijk 19.00 uur.
  3. Het is verboden alcoholhoudende drank te verstrekken in een paracommerciële inrichting tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, als dit zou leiden tot aantoonbare oneerlijke mededinging of dit buiten de in het eerste en tweede lid genoemde schenktijden gebeurt.
  4. De burgemeester verleent op aanvraag ontheffing van de in het derde lid gestelde verboden indien de paracommerciële rechtspersoon kan aantonen dat in een straal van 10 kilometer rond de paracommerciële inrichting geen commercieel horecabedrijf in staat en bereid is om de in dat artikel bedoelde bijeenkomsten te organiseren.
  5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag om ontheffingen als bedoeld in het vierde lid.

Consumentenvuurwerk verkopen, vergunning (artikel 2:72)

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
  2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Kennisgeving incidentele festiviteit (artikel 4:3)

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 , eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 00.00 uur op zondag tot en met donderdag of 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd.
  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving
  4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
  5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
  6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A) in de dag-, 60 dB(A) in de avond- en 55 dB(A) in de nachtperiode, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Het ten gehore brengen van muziek wordt uiterlijk om 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag beëindigd.
  7. De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduur correctie en de muziektoeslag worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
  8. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.
  9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Geluidshinder, ontheffing (artikel 4:6)

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
  3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.
  4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Collecteren (artikel 5:13)

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
  2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
  3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
  4. Het verbod geldt niet voor:
    1. instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecte rooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode en drie maanden voor de inzameling bij het college hebben gemeld dat van de toegewezen periode gebruik wordt gemaakt, en
    2. in de gemeente Zuidplas gevestigde verenigingen en stichtingen die krachtens hun statuten en activiteiten een doel nastreven dat van algemeen belang is, die geld of goederen inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau Fondswerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen, die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    a. De collectanten zijn onbezoldigd en worden, indien zij jonger zijn dan 16 jaar, begeleid door een volwassene.
    b. De collectanten moeten tijdens het collecteren een door vereniging of stichting gewaarmerkt geldig legitimatiebewijs dragen waarop in ieder geval de naam en/of doel van de vereniging en stichting en de periode waarin wordt gecollecteerd staan vermeld;
    c. De inzameling vindt niet plaats op maandag tot en met zaterdag voor 8.00 uur en na 21.00 uur;
    d. Uiterlijk vier weken voor aanvang van de inzameling moet aan het college melding worden gedaan van de inzameling onder vermelding van de naam van de inzamelende instelling, naam contactpersoon, het doel waarvoor de opbrengst is bestemd, de plaats, datum en het tijdstip van de inzameling;
    e. bij een inzameling van geld dient de collecteopbrengst binnen 14 dagen na afloop van de collecte, door middel van een door de leiding van de collecte ondertekende collectestaat, te worden verantwoord bij de gemeente;
    f. bij inzameling van geld mag uitsluitend worden gecollecteerd met collectebussen die zijn verzegeld of met een sleutelslot of plombe zijn afgesloten en waarop duidelijk de naam en/of doel van de collecterende instelling staat vermeld.
  5. Het college kan binnen veertien dagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het vierde lid, onder b, sub 5° de inzameling verbieden of aan de inzameling de voorwaarde verbinden dat die in een ander tijdvak of op een andere locatie plaatsvindt dan in de melding staat vermeld.

Standplaats vergunning (artikel 5:18)

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de vergunning:
    a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
    b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
    c. het maximaal aantal standplaatsen is ingenomen zoals bepaald in artikel 5:17a, lid 1.
  3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
  4. Aan een aanvrager kan één standplaats vergunning per dag worden verleend.

Voor de complete wettelijk vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening kijkt u op www.zoekdienst.overheid.nl.

Pagina opties

Wat vindt u van deze pagina?